
Het applaus houdt maar niet op. Hij buigt nog een keer, terwijl hij weet dat hij zo meteen gaat zeggen wat niemand in de zaal wil horen.
De cheque van toen staat op een schildersezel naast de micro. Eén meter op zeventig, achtenvijftigduizend zeshonderd euro in vette cijfers, het logo van de spaarkas in de hoek. Iemand vooraan fluit op twee vingers. De voorzitter van het feestcomité staat al half recht, met zijn papiertje.
Het labo had gebeld op een dinsdag, drie weken na de diagnose. Hij stond bij de slager, er waren twee mensen voor hem.
"Er is een vergissing gebeurd," zei de stem. "Twee stalen verwisseld. Het spijt ons verschrikkelijk. U bent dus…"
"Ah," zei hij. "Dank u."
De vrouw voor hem bestelde préparé en hij keek naar de weegschaal tot die stilstond op tweehonderdveertig gram.
De inzameling was toen al bezig. Immuuntherapie in Keulen, niet terugbetaald door het ziekenfonds; de specialist had het bedrag op een briefje geschreven. De basisschool liep rondjes rond de kerk, tien euro per rondje. Roger van de duivenbond liet zijn kop scheren, hier, op dit podium. Er kwam een WhatsApp- groep, Samen voor Luc, achtenzestig leden. 's Avonds stond er soep aan de deur, kervel met balletjes, het briefje geplastificeerd: van de buren, hou vol. Hij spoelde het bakje uit en zette het terug op de vensterbank, zoals afgesproken. Zijn zus had een sleutel. Op het aanrecht stond een weekdoos, gevuld met Dafalgan.
Roger roept zijn naam. Twee, drie stemmen nemen het over. Hij houdt zich vast aan het spreekgestoelte en knikt.
Keulen was tweeënhalf uur met de trein, overstap in Welkenraedt. De kliniek heeft hij één keer vanbinnen gezien. Hij fotografeerde de inkomhal en de drankautomaat en zette de foto's in de groep. Het hotel lag achter het station, aan de kant van de bussen. Zij werkte op de eerste verdieping, tweede deur, en ze noemde hem Marc, vanaf de eerste keer al, en hij had dat zo gelaten. Het geld legde hij op het nachtkastje, onder de afstandsbediening.
"Slaat het aan, uw behandeling?" vroeg ze de derde keer.
"Ja," zei hij. "Goed, eigenlijk."
"Goed zo," zei ze, en ze deed haar oorbellen uit.
De maand dat de teller vol stond, nam hij twee uur in plaats van het uurtje.
Hij ging elke woensdag. Op de kalender aan zijn frigo had zijn zus de kuren zo aangekruist.
De voorzitter tikt tegen zijn glas. Achteraan gaat het licht even uit en weer aan, dat doet de zaalverantwoordelijke bij de tombola ook. Het klappen zakt, veert weer op.
Hij buigt zich naar de micro.
"Ik wil iets zeggen," zegt hij. "Over het labo. Er is gebeld, destijds. In de derde week. De stalen waren verwisseld, het was van iemand anders. Ik ben nooit ziek geweest."
De micro staat te laag, hij moet gebogen blijven staan.
"En het geld is op," zegt hij.
Het wordt niet stil. Vooraan wel, zijn zus met haar handen nog tegen elkaar. Maar achteraan, bij de toog, lacht een man, kort, en zegt iets tegen zijn gebuur, en halfweg de zaal begint iemand weer te klappen, en dan nog iemand, en de voorzitter komt naar hem toe met zijn papiertje en zijn uitgestoken hand.
Een man voor wie het hele dorp geld inzamelt om een medische kuur te betalen, gebruikt het uiteindelijk voor een heel ander soort type kuren. Dat is wel een sterk plot vol met spanning en drama. Leuk vertelt met kleine alledaagse details waar langzaam aan het achterliggende verhaal uit opkomt. De ...